14 november 2011

Het shirt en zijn verhaal: Altijd amok bij Ajax

Het is vreselijk om voor Ajax te zijn. Ik beleef er absoluut geen plezier aan. Het is een lijdensweg. Met angst en beven neem ik elke zondag rond een uur of 4 weer de afstandsbediening ter hand. De cijfercombinatie 818 is inmiddels zo diep in mijn electronische geheugen gegrift dat ik niet eens meer hoef te kijken naar wat ik intoets. De voortzetting van deze handeling is zelden meer positief. Voor de vorm kijk ik nog even naar 819 voor de eventuele gevolgen voor de ranglijst. De gifbeker moet leeg. Ik voel me Socrates.

Hoe word je voor een club? , Pappa, voor wie ben jij? Ajax. Ik ook!’ Dat was ervoor nodig. Meer niet. Inmiddels zijn we 17 jaar verder en zit ik nog steeds opgescheept met de nare gevolgen van deze impulsieve actie. Ik kan het hem niet eens kwalijk nemen. We schrijven 1993-1994, de jonge honden van Louis van Gaal waren bezig geschiedenis te schrijven. Mijn vader is van 1951, hij maakte de glorieuze jaren ’70 zeer bewust mee. Hij zag Johan Cruijff de leiding nemen. Hij zag Piet Keizer de eerste schaar uitvoeren op de linkerflank. Hij zag Gerrie Mühren doodleuk een balletje hooghouden op de middencirkel tijdens een Europese wedstrijd tegen het grote Real Madrid. Hij zag de legendarische wedstrijd in de mist tegen Liverpool niet, maar het televisietoestel aan de Eiweg in Nieuw-Vennep stond wel degelijk aan.

Het begon zo leuk. Op een groot scherm kijken naar de finale van de Champions League. Een nog jonge, goedlachse Patrick Kluivert in de 86e minuut zien scoren. Aanvoerder Danny Blind met een nog zeer respectabele bos krullen de Europacup I zien kussen en omhoog zien houden. Ajax wint de Champions League. Trots geef ik mezelf een schouderklopje. Wat een goede keuze heb ik gemaakt! Ajax wint de Champions League. Ik was 9 jaar oud. Alsof het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is.
Het contrast met de huidige werkelijkheid kan niet groter. Bestuurlijke problematiek voert al een jaar de boventoon. Het kampioenschap vorig seizoen gaf de burger moed. Maar Ajax zou Ajax niet zijn als het deze vreugdevolle oprisping niet razendsnel teniet zou doen. De resultaten stellen traditiegetrouw teleur en de superlatieven richting ‘echte Ajacied’ Frank de Boer beginnen langzaam alweer plaats te maken voor verbittering. Had mijn vader maar een leuk provincieclubje genoemd. Heerenveen, FC Twente, AZ.. Clubs waar men maar één colonne kent in plaats van vijf. Zonder druk om constant te presteren, elke succes is meegenomen en de media-aandacht is miniem. Zo bekeken was ik zelfs beter af geweest met PSV of Feyenoord. Maar hij noemde Ajax. De meest gehate en tegelijkertijd meest geliefde club van het land. Ik sluit mijn ogen en beweeg mijn hoofd iets naar beneden. Wat een slechte keuze heb ik gemaakt.. Of niet?

Stiekem geniet ik van alle negatieve energie. Stiekem geniet ik van vrienden die onophoudelijk razen en tieren over het matige spel van Siem de Jong. Stiekem geniet ik van het gegeven dat een personage als Jaap de Groot bij Pauw en Witteman mag gaan uitleggen hoe de bestuurlijke wanorde van de club precies in elkaar zit. Witteman die zijn uiterste best doet inhoudelijke vragen te stellen en Pauw die niet eens de moeite doet zijn minachting in te houden. Genieten geblazen!

Ik ben voor Ajax. De ultieme vorm van ontspanning.

 

Columnist: Barend Tensen